Het woord sprookje is de verkleinvorm van het middeleeuwse woord sproke, dat net als spreuk en spraak is afgeleid van het werkwoord spreken. Sproke betekent letterlijk ‘dat wat gezegd is’ en kon daarom zowel een spreuk, een gezegde, een spreekwoord of een vertelling zijn. In de middeleeuwen werd met een sproke doorgaans gedoeld op de vertelvorm van sprooksprekers, rondreizende verhalenvertellers die met veel vertoon en weidse gebaren moraliserende voordrachten gaven aan ongeletterde volwassenen.
Iedereen is groot geworden met sprookjes. Elk verhaal begint met ‘Er was eens….‘ en eindigt met ‘En ze leefden nog lang en gelukkig!‘ Dat laatste was vroeger echter niet vanzelfsprekend. De sprookjes zijn in veel gevallen bewerkingen van oude volksvertellingen die nauwelijks overeenkomsten hadden met onze huidige sprookjes. Latere versies waren vaak bedoeld voor (jong)volwassenen en hadden een moraliserend doel: ‘dit is wat er gebeurt als je niet luistert!’ Pas in de 19e eeuw, de tijd van Hans Christian Andersen en de gebroeders Grimm, zijn de sprookjes aangepast om ze geschikt te maken voor kleine kinderen. Dit zijn de sprookjes zoals wij ze nu kennen, mede omdat Disney en ook De Efteling zich hebben gebaseerd op deze sprookjes. In de serie ‘Onze sprookjes ongecensureerd‘ volg ik de weg terug van het ons bekende sprookje naar het oorspronkelijke verhaal. In deze aflevering het sprookje van Roodkapje.

Roodkapje
Het sprookje, zoals wij dat allemaal kennen, is afkomstig uit het boek Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm, dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1812. De eerste Nederlandse vertaling dateert uit 1820. Het verhaal gaat over ‘een lief klein meisje’ en hoewel er geen leeftijd werd vermeld, was het meisje in dit verhaal waarschijnlijk nog een kleuter. Haar grootmoeder had haar een rood fluwelen mutsje gegeven, en omdat het haar zo goed stond en ze nooit meer iets anders droeg, werd ze voortaan Roodkapje genoemd. Op een dag zei haar moeder: “Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat eens naar je grootmoeder. Ze is zwak en ziek en het zal haar goed doen. Ga er heen en als je het dorp uit bent, loop dan netjes en ga niet van het pad af, want anders val je nog en breekt de fles, en dan heeft grootmoeder niets.” “Ik zal goed oppassen,” zei Roodkapje. Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodkapje in het bos was gekomen, kwam ze de wolf tegen.
“Goedemorgen, Roodkapje,” zei hij. “Dag, Wolf.” – “En waar ga je zo vroeg naar toe, Roodkapje?” – “Naar grootmoeder, Wolf.” – “En wat heb je daar onder je schortje?” – “Koek en wijn. Grootmoeder is wat zwak en ziek en hiermee kan ze wat op krachten komen.” – “Zeg Roodkapje, waar woont je grootmoeder dan?” – “Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje, en beneden is een notenhaag, je kent het vast wel,” zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: “Dat jonge malse ding is een heerlijk hapje, dat zal nog beter smaken dan die oude vrouw; als je slim te werk gaat, kan je ze allebei pakken.” Hij bleef nog een poosje naast Roodkapje meelopen, en zei: “Kijk, Roodkapje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar school moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is.” Roodkapje keek eens rond en toen ze zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze: “Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom.” En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in.

De wolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur: “Wie is daar?” – “Roodkapje, met een koek en met wijn, doe de deur maar open!” – “Druk maar op de klink,” riep grootmoeder, “ik ben te zwak en kan niet opstaan.” De wolf drukte op de klink, de deur sprong open, en zonder één woord te zeggen sprong hij naar het bed en at de grootmoeder op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen van het ledikant dicht. Roodkapje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en ging op weg naar grootmoeder toe. Ze was verbaasd dat de deur openstond. Ze riep: “Goedemorgen”, maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met haar muts over haar gezicht en ze zag er erg vreemd uit. “O grootmoeder, wat heb je grote oren!” – “Dat is om je beter te kunnen horen.” – “Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!” – “Dat is om je beter te kunnen zien.” – “Maar grootmoeder, wat heb je grote handen!” – “Dat is om je beter te kunnen pakken.” – “Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote bek!” – “Dat is om je beter op te kunnen vreten.” En nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje in één hap.
De wolf had zijn honger gestild en ging weer heerlijk in het bed liggen, sliep in en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jager voorbij en die dacht: “Wat snurkt dat oude mens hard, ik zal eens kijken of haar wat mankeert.” Hij kwam in de kamer en toen hij voor het bed stond zag hij dat de wolf erin lag. Hij wilde net gaan schieten, maar toen hij zijn geweer richtte bedacht hij zich ineens dat de wolf de oude vrouw misschien had opgegeten en dat ze misschien nog te redden was. Hij schoot niet maar begon met een schaar de buik van de slapende wolf open te knippen. Na een paar knippen zag hij een rood kapje glimmen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: “O, wat ben ik bang geweest, wat was het donker in de buik van de wolf!” En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend tevoorschijn. Roodkapje haalde snel een paar grote stenen die ze in de buik van de wolf stopten en toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij onmiddellijk viel en dood was. De jager stroopte de pels van de wolf af en trok daarmee naar huis, de grootmoeder at de koek en dronk van de wijn, die Roodkapje had meegebracht, en die maakte haar beter. En Roodkapje dacht: “Zolang ik leef, zal ik nooit meer alleen van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder dat verboden heeft.”

In het boek Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm is het verhaal dan nog niet afgelopen. Er kwam later nog een tweede wolf, die Roodkapje aansprak en wilde weglokken. Zij is echter wijs geworden, blijft op de grote weg en gaat direct naar het huis van grootmoeder. Ze vertelt aan grootmoeder wat er is gebeurd en ze draaien de deur op slot. Kort daarop klopte de wolf aan en zei: “Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng gebak voor je mee.” Maar zij hielden zich stil en maakten de deur niet open. Toen sloop de Grijskop een paar maal rond het huis, sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis zou gaan. Dan zou hij haar achterna sluipen en in het donker opeten. Maar de grootmoeder merkte wat hij van plan was. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en ze zei tegen het kind: “Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, gooi jij dat worstennat in de trog.” Roodkapje droeg zo veel tot die hele grote trog vol was. De geur van de worst kreeg de wolf in de neus, hij snuffelde en keek omlaag, en tenslotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zijn evenwicht verloor en begon te glijden, en hij gleed van het dak af precies de trog in en verdronk. Roodkapje ging vrolijk naar huis en bleef ongedeerd.
Er zijn veel versies van Roodkapje in omloop. De komst van de tweede wolf wordt daarbij meestal achterwege gelaten en de verdrinking van de wolf wordt als doodsoorzaak gebruikt bij de eerste wolf. Toen de wolf was ontwaakt van zijn slaap, had hij dorst. Door de zware stenen in zijn buik kon hij bijna niet lopen. Voetje voor voetje sleepte hij zich voort tot aan de rand van het beekje, dat door het grote bos stroomde. Hij bukte zich, om wat te drinken. Maar door de zwaarte van de stenen viel hij voorover in het water en verdronk. Er zijn meer dingen die per versie kunnen afwijken. Zo worden Roodkapje en grootmoeder soms niet gered door een jager, maar door een houthakker, of door de vader van Roodkapje die zich zorgen maakt over Roodkapje, omdat hij van houthakkers heeft gehoord dat er een grote wolf in het bos is gezien. In veel versies betreedt Roodkapje het huis van grootmoeder niet door de klink van de deur naar beneden te drukken, maar zegt grootmoeder: “Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.” Dat was afkomstig uit de veel oudere versie van Charles Perrault, maar was voor kinderen zeer herkenbaar, omdat veel gezinnen met kinderen tot in de jaren ’70 daadwerkelijk een touwtje door de brievenbus hadden hangen, waarmee de deur geopend kon worden.

En daarmee zijn we aangekomen bij de versie van Roodkapje, die Charles Perrault in 1697 publiceerde in zijn boek ‘Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye‘. De eerste Nederlandse vertaling van de bundel verscheen bij Pieter van Os in Den Haag in 1754, onder de titel ‘Sprookjes van moeder de Gans‘. Het verhaal van Roodkapje wijkt op twee essentiële punten af van het sprookje van de gebroeders Grimm. Als Roodkapje het huis van grootmoeder is binnen gegaan, zegt de wolf dat ze zich moet uitkleden en bij hem in bed moet komen liggen. De wolf is hier duidelijk de personificatie van een enge man. Zowel grootmoeder als Roodkapje overleven de confrontatie met de wolf niet. Over grootmoeder schrijft Perrault: Hij wierp zich op de goede vrouw en verslond haar in een ommezien, want hij had al drie dagen niets gegeten. Toen deed hij de deur weer dicht, ging in het bed van de grootmoeder liggen en wachtte op Roodkapje. Als Roodkapje bij de wolf in bed ligt, begint het gesprek met: “Grootmoeder, wat hebt u een grote armen!”, waarop de wolf antwoordt: “Dat is om je beter te kunnen omhelzen, m’n kind!” Het sprookje van Perrault eindigt met: “Grootmoeder, wat hebt u een grote tanden!” – “Dat is om je op te eten!” Met deze woorden wierp de wolf zich op Roodkapje en verslond haar.
Roodkapje is in het sprookje van Perrault wat ouder dan in het sprookje van de gebroeders Grimm, waarschijnlijk een jonge tiener. Volgens Sigmund Freud, een van de invloedrijkste psychologen aan het eind van de 19e en begin van de 20ste eeuw, geeft het rode kapje aan dat Roodkapje haar eerste menstruatie achter de rug had, vertegenwoordigt het bos gevaar en stond de tocht die Roodkapje door het bos moest maken symbool voor de weg naar volwassenheid. Door bloemen te gaan plukken in het bos, week zij af van het rechte pad en zocht daarmee het gevaar op. Roodkapje had van haar moeder een stuk koek en een fles wijn meegekregen voor grootmoeder. De koek zou hierbij symbool staan voor vruchtbaarheid, denk daarbij aan moederkoek, en de onaangebroken fles wijn symboliseert dat zij nog maagd is. Niet voor niets zegt moeder: “Ga niet van het pad af (blijf op het rechte pad), want anders val je nog (denk aan ‘gevallen vrouw’) en breekt de fles (dan ben je geen maagd meer).” Roodkapje werd in het verhaal van Perrault een allerliefst meisje genoemd, het aardigst schepseltje dat men ooit gezien had. Hoewel Roodkapje in het verhaal geslachtsrijp is, wordt zij een onnozel meisje genoemd, wat moet worden gelezen als naïef. Zij belandde naakt in het bed van de wolf, wat ging over het gevaar van onbekende wrede mannen en het verlies van onschuld. In dat opzicht kunnen we de zin ‘Met deze woorden wierp de wolf zich op Roodkapje en verslond haar‘ lezen als: ‘Met deze woorden wierp de foute man zich op Roodkapje en verkrachtte haar‘.

Overigens heeft Perrault in zijn sprookje enkele details achterwege gelaten, die wel voorkomen in de orale versies uit die tijd. Toen Roodkapje de wolf ontmoette in het bos, kreeg zij van hem de vraag of zij op weg naar grootmoeder gebruik wilde maken van het lange pad over de naalden of van het korte pad over de spelden. Naalden stonden in die tijd symbool voor werken, terwijl spelden juist geassocieerd werden met schoonheid en optutten. Eigenlijk vroeg de wolf, de foute man, dus aan Roodkapje of zij haar weg naar volwassenheid wilde afleggen met hard werken voor weinig geld of met snel geld verdienen met haar uiterlijk. Roodkapje koos voor het pad over de naalden, de lange weg, en wees hiermee de foute man af. Door het kiezen van de lange weg bood zij in het sprookje de wolf echter ook de kans om zelf de korte weg te nemen en daardoor eerder bij het huisje van grootmoeder te zijn. Toen Roodkapje in het huis van grootmoeder was aangekomen bood de wolf roodkapje een stukje vlees en wat rode wijn aan. Het stukje vlees zou kunnen verwijzen naar een lichaamsdeel van de wolf en de rode wijn naar het aanbreken van de fles rode wijn en dus het verlies van de maagdelijkheid door Roodkapje. In dat geval verwijst dit naar de geslachtsgemeenschap en duidt het verslinden aan het eind van het verhaal op een moord. Er wordt echter ook gesuggereerd dat het stukje vlees en de wijn symbool staan voor vlees en bloed en dat dit de restanten waren van grootmoeder. Sommige folkloristen menen dat Roodkapje het vlees en het bloed van haar grootmoeder moest nuttigen om een nieuwe fase van volwassenheid in te kunnen gaan. Feit is dat in veel sprookjes kannibalisme voorkomt als een middel om het verhaal nog net even wat gruwelijker te maken.
Heel lang is gedacht dat het sprookje van Roodkapje haar oorsprong vond in China, waar een soortgelijk verhaal de ronde doet, met een tijger in plaats van een wolf als booswicht. Volgens antropoloog Jamie Tehrani van de Universiteit van Durham zijn echter zowel het Chinese sprookje als het sprookje van Roodkapje terug te voeren naar het verhaal ‘De wolf en de kinderen‘ dat in de 1e eeuw van onze jaartelling in het Midden-Oosten is ontstaan en is ook het sprookje ‘De wolf en de zeven geitjes‘ op dit verhaal gebaseerd. Dat verklaart ook de overeenkomsten tussen beide sprookjes: Een wolf verschaft zich toegang tot een huis door een truc toe te passen en eet de aanwezigen op. De wolf valt in slaap en als de buik van de wolf wordt opengesneden, komen de slachtoffers er levend uit. De buik wordt daarna gevuld met stenen en weer dichtgenaaid. Als de wolf ontwaakt heeft hij dorst. Hij wil wat drinken, maar valt door het gewicht van de stenen in het water en verdrinkt.

Tot slot nog even aandacht voor een moderne variant van het sprookje. Het is in 1982 geschreven door Roald Dahl en heeft als titel ‘Roodkapje en de wolf‘. Het vertelt het gangbare verhaal van Roodkapje, maar heeft een plottwist nadat de wolf zegt dat hij Roodkapje gaat opeten.
’t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng .., die is er geweest
Een week of wat later, ik weet ’t nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
‘mijn prachtige bontjas van wolvenvel!’
Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
- Grimmstories – Alle sprookjes van de gebroeders Grimm;
- Bzzletin, jaargang 12 – De lotgevallen van Roodkapje – Eric Hulsens, 1984;
- Lexicon van Sprookjes – Van Aladdin tot Zwaan kleef aan – A.J. Dekker, J. van der Kooi, T. Meder, 1997;
- Moeder de Gans – Vertellingen uit de Oude Tooverwereld – Charles Perrault, 1697;
- Is Geschiedenis – Roodkapje: van horrorverhaal tot sprookje;
- Abe de Verteller – Sexy Roodkapje – Abe van der Veen, 2013;
- FARO, Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed – Roodkapje, waar ga je heen?, 21 november 2013;
©Bert van Zantwijk
Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.