Aan dit artikel wordt momenteel gewerkt.

In 1850 verscheen het prentenboekje ‘Sint Nikolaas en zijn Knecht‘ van de Amsterdamse onderwijzer en dichter Jan Schenkman. Het wordt beschouwd als het eerste boek dat volledig aan het Sinterklaasfeest is gewijd. De tekst bij de prenten is op rijm. De tekst van de eerste pagina is later op muziek gezet en kennen wij nu als het liedje ‘Zie ginds komt de stoomboot’. De knecht van Sint Nicolaas blijft in het boekje naamloos, maar hij wordt afgebeeld als een negroïde man in een witte harembroek met wit hemd en een bolero. In 1855 zal hij in een latere editie van het boek de kleding van een Spaanse page krijgen. In het boek staat in woord en beeld stap voor stap het Sinterklaasfeest opgetekend.

Jan Schenkman werd geboren op 1 oktober 1806 te Amsterdam als enig kind van molenaarsknecht Gerrit Schenkman en zijn vrouw Geesje van den Bosch. Op 15 oktober 1806 werd hij Nederlands Hervormd gedoopt in de Zuiderkerk in Amsterdam. Het gezin woonde op de Anjeliersgracht 413 in de Jordaan in Amsterdam. De Jordaan was destijds de armste en dichtstbevolkte buurt van Amsterdam. De Anjeliersgracht was een smalle straat met volkshuisjes langs een vervuilde en stinkende gracht. In 1861 werd de Anjeliersgracht gedempt en de daardoor ontstane bredere straat kreeg in 1862 de naam Westerstraat.

Op 8 juni 1821 overleed vader Gerrit Schenkman. Jan Schenkman was toen veertien jaar oud. Het is niet bekend hoe het Jan en zijn moeder in de daaropvolgende jaren is vergaan. Mogelijk heeft moeder Geesje een werkhuisje gevonden en heeft Jan enige jaren ergens als knecht gewerkt om zijn moeder financieel te steunen en verkregen ze daarnaast armenzorg van de kerk. Het is echter ook mogelijk dat Jan als minderjarige in het Diaconieweeshuis aan de Lauriergracht is geplaatst. Hier kregen de kinderen dagelijks “onderrigt in ‘t leezen, schryven en rekenen; de noodzakeleykste regelen der nederduitsche taal, de algemeene begrippen der christelyken godsdienst en zedenkunde, de voornaamste inhoud der geschiedenis en zoo veel mogelyk, van de staatsgesteldheid van dit land en andere nuttige kundigheden“. Hadden de weesjongens de school doorlopen, dan werden zij als werkjongens bij ambachtslieden in de leer gedaan, meestal bij een smid of timmerman. Er zijn echter ook leerjongen-overeenkomsten gevonden met slagers, behangers, kleermakers, instrumentenmakers, kantoorbediendes en boekbinders. Het geld dat ze verdienden, ging uiteraard naar ’t gesticht. 

Het is aannemelijk dat Jan Schenkman het traject heeft doorlopen van onderricht in het Diaconieweeshuis, gevolgd door een aanstelling als leerjongen op een kantoor. In elk geval komt hij in 1828 weer in beeld als hij meedingt naar de functie van onderwijzer op een van de twaalf armenscholen in Amsterdam. Tot 1806 waren er geen speciale vaardigheden vereist om onderwijzer te worden. In de tijd van Jan Schenkman was er ook nog geen kweekschool, maar dienden de kandidaten wel een bekwaamheidstoets af te leggen. De schoolwet van 1806 kende een onderwijzersakte op vier niveaus. De 4de of laagste rang eiste redelijke kennis van lezen, schrijven en rekenen en enige aanleg voor het beroep. De 3e rang bezitten betekende behoorlijke kennis hebben van de Nederlandse taal. Kandidaten voor de 2e rang werden ook ondervraagd over aardrijkskunde en geschiedenis. Voor de 1e rang bevatte de examenstof bovendien wiskunde en natuurlijke historie. Huisonderwijzers konden een aparte akte halen, evenals onderwijzeressen aan meisjesscholen. De 1e rang mocht slechts bij uitzondering aan de meest capabele en meest ervaren onderwijzers toegekend worden.

In het register van de Amsterdamse schoolcommissie over de periode november 1824-december 1835 staat op 15 oktober 1828 vermeld dat Jan Schenkman zich heeft aangemeld voor een vergelijkend examen ter vervulling van de opengestelde onderwijzersplaatsen van bijzondere scholen van de 2e klasse binnen de stad. Het examen vond plaats op 30 maart 1829 en Jan Schenkman behaalde de 2e rang. Dit was de meest gangbare rang en tevens de rang die benodigd was om aangesteld te kunnen worden op een armenschool in Amsterdam. Onderwijzers met een 3e of 4e rang waren vooral werkzaam op plattelandsscholen. Jan Schenkman werd aangesteld als onderwijzer op de armenschool op de Anjeliersgracht.

Dit artikel is nog niet klaar.


Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

  • Lexicon van de Jeugdliteratuur – Jan Schenkman – Frits Booy, oktober 2001;
  • Lust en Leering. Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw – Jan Schenkman: vermaak zonder nut – Leontine Buijnsters-Smets, 2001;
  • Biographisch woordenboek der Nederlanden – Jan Schenkman – A.J. van der Aa, 1878;
  • Historiën.nl – Het eerste Sinterklaasboek – Susanne Neutkens;
  • De Boekenwereld, jaargang 31 – Het beeldbepalende sinterklaasboek van Jan Schenkman uit 1850 – Frits Booy, 2015;
  • Bertvanzantwijk.com – Zwarte Piet – Bert van Zantwijk, 29 oktober 2016;
  • Volkskundig Bulletin – Nieuw licht op Zwarte Piet – Eugenie Boer-Dirks, april 1993;
  • Ons Amsterdam – De zaak Zwarte Piet – Marianne Lamers, 2 november 2009;
  • Allemaal Familie – Het Luthers Diaconie weeshuis in Amsterdam

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.