Aan dit artikel wordt momenteel geschreven.

Woonwagenbewoners is de verzamelnaam voor mensen die (voorheen) een reizend bestaan leidden. Dat geldt voor Roma en Sinti, kermisexploitanten, circusartiesten en reizigers.

Roma en Sinti zijn vermoedelijk zo’n 1000 jaar geleden uit India gevlucht als gevolg van islamitische invasies waarna ze via Perzië en Turkije in Europa belandden. Roma waren hierdoor staatloos geworden en kwamen uiteindelijk vooral in Oost-Europa terecht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de vervolging van Roma vrijwel identiek aan de vervolging van de Joden. Volgens Simon Wiesenthal kwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog in het hele door Duitsland bezette gebied zo´n 80% van alle Roma en Sinti om het leven. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel Roma naar West-Europa, vooral vanuit voormalig Joegoslavië. Die stroom werd sterker aan het eind van de jaren ’60, voornamelijk vanwege slechte sociaal-economische omstandigheden in Joegoslavië, zoals massale werkloosheid en uitsluiting. 

Na de Tweede Wereldoorlog heeft het heel lang geduurd voordat men de zigeunervervolging erkende als gelijkwaardig aan het lot van de Joden. Dit had deels te maken met het feit dat de Roma weinig contact hadden met de Nederlandse bevolking. Zij vertelden hun verhalen onderling door, zonder dat deze werden opgeschreven. Doordat ook de nazi´s geen registratie bijhielden van de moorden en de Roma destijds nog geen vaste woonplaats hadden, heeft het tot het eind van de jaren ´70 geduurd voordat de tragedie van de Roma en Sinti werd erkend. Vanaf de jaren ’80 volgde een nieuwe stroom Roma-vluchtelingen uit Joegoslavië als gevolg van het opkomende nationalisme na de dood van Tito, gevolgd door een oorlog in de jaren ’90. Een grote groep Roma die gevlucht waren uit het voormalige Joegoslavië kreeg middels een generaal pardon een legale status in Nederland. 

De Sinti, die in België Manoesjen worden genoemd, zijn een subgroep van de Roma, maar worden graag als aparte groep benoemd. Zij hebben de tussenstop in Oost-Europa niet gemaakt en zijn daardoor al veel langer in West-Europa aanwezig. Zij zijn daardoor doorgaans ook beter geïntegreerd in de westerse maatschappij. De eerste vermelding van Sinti in West-Europa betreft een groep van ongeveer 120 mensen en stamt uit 1427. De groep meldde zich toen in Parijs. Hun woordvoerders, die zich graaf en hertog noemden, waren in gezelschap van tien mannen “allen te paard” en zeiden uit Egypte te komen. Zij vertelden dat ze zeven jaar rond moesten zwerven zonder in een bed te slapen. Dit zou een door de paus opgelegde boete zijn voor hun afval van het christelijk geloof. “Zij waren wel met twaalfhonderd geweest”, zeiden ze, “hun koning en koningin waren onderweg gestorven. Tot enig soulaas had de paus gelast, dat iedere bisschop en abt hun tien pond ‘tournois’ moest geven”, aldus hun eigen verklaring. Dat was destijds een flink bedrag, vergelijkbaar met het jaarinkomen van een geschoolde ambachtsman.

Vanuit het oogpunt van christenplicht kregen zij hulp aangeboden. De verhalen over hun afkomst en waarom ze rond moesten trekken werden gretig geloofd, vooral omdat zij beschermingsbrieven van kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers konden tonen. Zij werden daarom gastvrij ontvangen en konden vrij rondtrekken. Door steeds naar andere gebieden te trekken hebben zij het verhaal dat zij boetelingen uit Egypte waren nog zo’n honderd jaar kunnen volhouden. Met de Reformatie droogde in de protestantse delen van het land de pelgrimsstroom echter op en hadden ook Sinti geen kans meer om als pelgrims overal goed ontvangen te worden. Dat ze pelgrims zouden zijn, werd bovendien bijna nergens meer geloofd. Men hield hen steeds meer voor bedelaars en profiteurs. Hun status veranderde van geëerde pelgrim naar ongewenste vreemdeling. Hun vermeende afkomst uit Egypte werd nog wel eeuwenlang geloofd en heeft geleid tot het woord gypsy, komend van Egypcian.

Een grote groep Sinti, die afkomstig was uit Duitsland en Frankrijk vestigde zich tussen 1900 en 1920 in Nederland. Settela Steinbach is het gezicht geworden van de Sinti. Zij werd gefotografeerd toen zij op 19 mei 1944 vanuit Westerbork op transport werd gezet naar Auschwitz-Birkenau en nog even door een kier van de wagon naar buiten keek. Omdat zij zich schaamde voor haar kaalgeschoren hoofd, had haar moeder een stuk van een laken afgescheurd dat ze om haar hoofd kon doen. Zij werd bekend als ‘het meisje met de hoofddoek’ en werd een symbool voor de Jodenvervolging, tot in 1994 haar identiteit werd ontdekt en bleek dat zij een Sintezza was. Tegenwoordig zijn Sinti vooral bekend vanwege hun muzikale talent. Bekende Sintifamilies zijn Weiss (van het orkest Tata Mirando), Reinhardt (van jazzgitarist Django Reinhardt) en Rosenberg (van het Rosenberg Trio). Ook de zanger Django Wagner is een Sinti.

Kermisexploitanten trekken nog steeds rond, zij het alleen in het kermisseizoen, dat loopt van april tot en met oktober. De rest van het jaar wonen veel kermisgezinnen op een woonwagenterrein dat door een gemeente voor deze doelgroep beschikbaar wordt gesteld. Steeds meer kermisgezinnen hebben echter een regulier huis of standplaats op een woonwagenkamp, waar zij tijdens de wintermaanden wonen. Traditionele circusfamilies verblijven doorgaans het hele jaar in hun woonwagen. Buiten het seizoen plaatsen zij die op een eigen terrein, waar zij ook het materiaal onderhouden. Freelance circusartiesten reizen na het seizoen vaak direct door naar speciale winter- of kerstcircussen. Zij worden tijdens de wintermaanden meestal door dat circus ondergebracht in een hotel. Sommige artiesten keren na het seizoen terug naar huis om nieuwe acts te trainen of om zich via impresariaten te verhuren voor bijvoorbeeld bedrijfsfeesten.

En dat brengt ons bij de reizigers. Hun voorouders komen van het platteland in Nederland of nabijgelegen landen als België en Duitsland. Het was vroeger gebruikelijk om een boerderij na te laten aan de oudste zoon. Hiermee werd voorkomen dat familiebezit zou versnipperen. De overige kinderen kregen een erfdeel in geld en moesten daarna zelf bestaansmogelijkheden zoeken. Doorgaans woonden zij op een keuterij, een kleine boerderij op het terrein van een andere boer, waar zij als knecht werkzaam waren en een klein stukje land in pacht kregen voor eigen gebruik. Het was een zwaar leven. Tijdens de wintermaanden hielden de gezinnen zich bezig met huisnijverheid. Ze maakten bezems, klompen en manden, maar vooral textielproducten. Als de akkers in het voorjaar waren ingezaaid, werd de verzorging van het eigen land en vee overgedragen aan de vrouwen. De mannen en jongens vertrokken om als seizoenarbeider wat bij te verdienen met maaien of turf afsteken. In de herfst keerden zij dan terug naar huis voor de oogst van hun werkgever en van de eigen akker. 

De seizoenarbeiders merkten al snel dat de producten die zij tijdens de wintermaanden thuis hadden vervaardigd voor een goede prijs konden worden verkocht in de stad. Zij gingen daarom steeds meer producten meenemen. De hondenkar deed zijn intrede. Ze sliepen in een oude schuur of in een goedkope herberg, maar meestal gewoon in of onder de kar. De verkoop ging zo goed, dat een groot aantal stopte met het werken als maaier of turfsteker en zich vanaf het voorjaar volledig ging richten op de handel. Vaak pendelde hij een tijdje als marskramer tussen een stad en de omliggende dorpen. Vanuit de stad nam hij goederen mee die wel in de steden maar niet in de dorpen verkrijgbaar waren. Soms werd dit verkocht, maar vaker gewoon geruild tegen houdbare producten als aardappels, groenten, ham, spek of boter. Op de terugweg nam hij op bestelling kippen, eieren en melkproducten mee terug naar de stad. Ook gingen velen zich toeleggen op het verlenen van diensten, zoals stoelenmatten, mandenvlechten, ketellappen of het slijpen van scharen en messen. Als de handel terugliep, trok hij verder naar een volgende stad.

Het gebrek aan goed begaanbare wegen was aanvankelijk een van de grootste obstakels. Binnen en direct buiten de steden was wel iets aan wegenaanleg gedaan, maar elders verkeerden de wegen in een bijzonder slechte staat. In de zomer had de handelaar te maken met stoffige zandwegen en vanaf de herfst met modderig en voor wagens vaak onbegaanbaar terrein. Toch zorgde de handel voor voldoende inkomsten om van te leven. Toen de wegen in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer werden verhard, werd het reizen met wagens gemakkelijker. De karren waar de handelaren mee reisden werden groter en werden voortaan getrokken door een paard. Vaak kreeg de wagen een huif zodat de handelsgoederen beschermd werden en je er ook wat beter in kon slapen. Hierdoor werd het ook mogelijk dat de man zijn vrouw en kinderen, die hij voorheen niet vaak zag, meenam op reis. Het was daarom niet meer nodig om een huis te hebben en de gezinnen werden fulltime reizigers.

Het duurde niet lang tot de overheid zich met de reizigers ging bemoeien. De overheid is gericht op registratie en controle en op handhaving van de openbare orde en zag de reizigers, waar zij weinig zicht op hadden, als een bedreiging. In 1903 werd een staatscommissie ingesteld die de opdracht kreeg om te onderzoeken welke aanvullingen en wijzigingen in het strafwetboek moesten worden opgenomen om een doeltreffende bestrijding van dit ‘euvel’ te verzekeren. Hiermee werden de reizigers door de regering, die helemaal niets van hen wist, direct al gelijkgesteld aan landlopers, bedelaars, dieven en alcoholisten. In 1907 had de commissie het onderzoek afgerond, maar wilde nog geen wet indienen omdat op dat moment op geen enkele wijze hardgemaakt kon worden dat de algemeen heersende veronderstelling dat het slecht gesteld was met de leefomstandigheden van bewoners van woonwagens berustte op werkelijkheid.

Dit artikel is nog niet klaar.


Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

  • Pastoraat Woonwagenbewoners (via OWRS) – Kostwinning Sinti en Roma, Toen en Nu! – Jan van der Zandt en Antoon Egging, 2020;
  • OWRS (landelijke ondersteuning Onderwijs aan Woonwagen-, Roma- en Sintikinderen) – Woonwagencultuur Lesbrief, 2021;
  • OWRS – Woonwagencultuur, Folder gemeenten, 2021;
  • OWRS – Woonwagencultuur, wat is dat?, 2021;
  • BV Wheredijk – Wet op de Woonwagens en Woonschepen van 1918;
  • Andere Tijden – Woonwagenbewoners, 21 december 2000;
  • VPRO – De reizigers – De Hokjesman, 2015;
  • Erasmus Universiteit Rotterdam – Afschaffing van de Wet op de Woonwagens en Woonschepen. Een act van normalisering of een weloverwogen integratie? – Eindscriptie Bestuurskunde, E.H.M. Widdershoven, juli 2005;
  • Erasmus Universiteit Rotterdam – Woonwagenbewoners in de media – Master’s Thesis Media & Journalistiek, Koen Speelman, juni 2025;

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.