In de Griekse mythologie was Pan de god van de wildernis en patroon van de herders, hun vee en het dierlijk instinct. Pan was ook een vruchtbaarheidsgod en werd verbonden met de lente, seks en vruchtbaarheid van de kudden. Hij werd geboren als half mens, half bok, met een menselijk bovenlichaam, bokkenpoten, bokkenoren, bokkenhoorns, een bokkenstaart en een eeuwige erectie. Volgens verschillende verhalen was hij de zoon van de god Hermes, maar ook andere goden worden als vader genoemd. Als moeder circuleren de namen Penelope, Dryope en Callisto. Volgens de meeste verhalen schrok de onbekend gebleven moeder in elk geval zo erg van de lelijkheid van haar kind dat ze na de bevalling onmiddellijk de benen nam. Nimfen ontfermden zich vervolgens over de jonge Pan.

Pan was, zoals van een vruchtbaarheidsgod verwacht mag worden, hitsig van aard. Hij verkeerde graag en veel in het gezelschap van de nimfen. Hij probeerde hen continu te verleiden, maar werd door hen afgewezen. Zelfs herdersjongens konden slachtoffer worden van zijn begeerte. Op een dag zat Pan de nimf Syrinx achterna. Zij had gezworen om, net als haar beschermgodin Artemis, maagd te blijven en bad tot de goden om verlost te worden van haar hitsige achtervolger. Toen Syrinx het riet invluchtte, veranderde Gaea, godin der aarde, haar in een rietstengel. Gefrustreerd blies Pan over de rietstengels, waardoor een klagerige toon ontstond. Hij sneed de rietstengels door en maakte er een fluit van, die hij syrinx noemde. Die fluit is tegenwoordig bekend als een herdersfluit of panfluit.

Herders waren doodsbang voor Pan, hoewel zij hem ook nodig hadden voor de vruchtbaarheid van hun kudde. Pan verbleef graag op eenzame plekken in de bergen en in grotten om te rusten. Als hij hier door mensen gestoord werd, kwamen zijn wilde en dierlijke instincten naar boven. Hij uitte dan een oerkreet en ging achter de mensen aan. Soms zond hij hen nachtmerries. Pan kon met één kreet ook een hele kudde uiteenjagen, wat economische rampspoed betekende voor de herder. Als herders geluiden hoorden die ze niet konden thuisbrengen, schreven zij die toe aan Pan. Deze onzichtbare aanwezigheid zorgde voor een gevoel van onbehagen en angst bij reizigers en herders die zich alleen in de wildernis begaven. De term ‘panische angst‘ en het woord ‘paniek‘ zijn hieruit voortgekomen.

Met de verspreiding van het christendom werden de heidense goden in Europa gedemoniseerd, met als doel de snelle adoptie van het christendom te vergemakkelijken. Pan’s connectie met wildheid en seksuele lust botste met het christendom, waarin seksualiteit juist werd onderdrukt. De bok werd het symbool van onreine, bandeloze lust. Pan werd hierdoor gezien als een verleider van de mensheid en een vijand van God. Zijn status als ‘geile bok‘ was ook een mooie tegenstelling met ‘het lam gods‘, de personificatie van Jezus die zijn leven offerde om de mensheid van haar zonden te verlossen. Pan werd daarmee een geschikt model voor de duivel.

Een tweede relatie tussen de duivel en een bok vinden we bij Jom Kippoer, de heiligste dag van het joodse jaar, die ook bekend staat als de ‘Grote Verzoendag‘. Jom Kippoer draait om de vergeving van God. De dag wordt voorafgegaan door tien dagen van inkeer waarop vergeving wordt gevraagd aan de mensen die je pijn hebt gedaan. Op de avond voor Jom Kippoer is er een speciale dienst om spijt te betuigen aan God voor wat je ten aanzien van Hem fout hebt gedaan. Tegenwoordig is Grote Verzoendag een vastendag die ingeluid wordt met de priesterlijke zegen die ouders aan hun kinderen geven. Als het laatste gebed op Grote Verzoendag is uitgesproken, barst de vreugde los en wordt er gedanst. Aan het einde van de dag wordt er op de ramshoren geblazen en wordt de vastendag afgesloten met een gezamenlijke maaltijd.

Vroeger werd Jom Kippoer gevierd met een zoenoffer van de hogepriester in de tempel van Jeruzalem, zoals voorgeschreven in de wet van Mozes in Leviticus 16, onderdeel van het derde boek van de Torah en het Oude Testament. De priester diende eerst een ram te offeren ter heiliging van zichzelf. Vervolgens werd er tussen twee bokken geloot om te bepalen welke bok er geslacht en vervolgens aan God zou worden geofferd en welke bok bleef leven en bestemd was voor Azazel. Voor die tweede bok werd later de naam ‘zondebok‘ bedacht. De hogepriester legde, door beide handen op de kop van het beest te plaatsen, alle zonden van het volk op deze bok. Daarna werd hij de woestijn in gejaagd. Door vervolgens het volk te zegenen, was de vergeving van de zonden van het volk een feit. De zondebok maakte deel uit van Jom Kipoer tot aan de vernietiging van de Tempel in 70 na Christus.

Wie of wat Azazel was, is niet duidelijk. Sommigen menen dat Azazel de naam van een plek in de woestijn was, mogelijk een hoge rots. Anderen denken dat Azazel de naam van de bok zelf was, komende van Ez, ‘geitenbok’ en het werkwoord Azôl, ‘weggaan’. Een gangbare verklaring is dat Azazel een in de woestijn levende kwaadaardige demon was, de vorst van de bokkendemonen. De meesten vereenzelvigen Azazel echter met een van de eersten onder de gevallen engelen, van wie voornamelijk het verderf, dat in de wereld heerst, is uitgegaan en die door God aan een duistere plaats in de woestijn gekluisterd, voor het gericht bewaard wordt. Hij werd hierdoor door vele Joden gelijkgesteld aan Sammaël, de Satan. Ook de Christenen hebben in hem de Satan gezien en daarmee is Azazel naast de gedemoniseerde Pan de tweede connectie tussen de duivel en een met bokkenhoorns getooide kwaadaardige demon.

In de Bijbel komen bokken er ook niet goed af. In Mattheüs 25 wordt bij ‘het laatste oordeel‘ een finale scheiding van ‘schapen’ (rechtvaardigen) en ‘bokken’ (veroordeelden) gemaakt: ‘Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met hem, dan zal hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En vóór Hem zullen al de volken bijeengebracht worden en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand. Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld. Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn: Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is. En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.‘

We hebben dus nu een duivel met de fysieke bokachtige kenmerken van Pan, zoals bokkenpoten, hoorns, een staart en een baard, maar ook met het wilde gedrag en de onverzadigbare seksuele lust van Pan. En we hebben de bok, die werd geassocieerd met de zonden van het volk en gezien werd als symbool van het kwaad. Volgens het volksgeloof hadden heksen en tovenaars hun kennis van de zwarte magie te danken aan een pact met de duivel, waarin zij hun ziel aan de duivel verkochten in ruil voor duistere krachten. Acht keer per jaar, rond de acht jaarfeesten die de seizoenen markeren, bezochten zij de duivel tijdens een nachtelijke heksensabbat. Hier vernieuwden zij hun trouw aan de duivel, door zijn achterwerk te kussen, te vertellen over het kwaad dat zij hadden aangericht, samen te dansen en seks te hebben met de duivel. Zij verplaatsten zich ’s nachts vliegend naar de sabbat, zittend op een bok, een (onrein) varken, een bezem, een riek of een blok hout. Het blok hout verwijst naar de Blocksberg in Duitsland, de meest bekende verzamelplaats voor een sabbat.

Er waren in het volksgeloof ook geesten die ’s nachts op bokken vlogen. Men noemde ze de bokkenrijders. Eigenlijk was dit een soort verchristelijking van de Wilde Jacht uit de religies van de Germanen, Kelten en Slaven. Zij werden in de christelijke variant gezien als het dodenleger van de duivel, op zoek naar ronddolende zielen om naar de hel te begeleiden. Ook stervelingen, die per ongeluk getuige waren van deze jacht, werden door hen meegenomen naar de hel. In de 18e eeuw zou dit volksgeloof veranderen in een heksenjacht op een bende misdadigers, van wie werd gedacht dat ze een pact met de duivel hadden gesloten en zich ’s nachts op bokken door de lucht verplaatsten om dood en verderf te zaaien in grote delen van Limburg, de Kempen, de Landen van Overmaas en het graafschap Loon. Ook zij werden bokkenrijders genoemd. Net als bij heksenprocessen werden mensen die werden opgepakt op verdenking deel uit te maken van de bende gemarteld en gedwongen om namen te noemen van andere bendeleden. Honderden mensen werden hierdoor onschuldig veroordeeld en op gruwelijke wijze ter dood gebracht.

Het is aannemelijk dat er nooit een dergelijke grote bende heeft bestaan, maar dat er sprake is geweest van een groot aantal kleine bendes, criminele gezinnen en zelfs individuen die verantwoordelijk waren voor de gewelddadige overvallen, maar die geen enkele connectie met elkaar hadden. Na verschillende oorlogen, misoogsten, overstromingen en de veepest heerste er in de achttiende eeuw schrijnende armoede in grote delen van Limburg en België. De meerderheid van de bevolking leefde er van kleinschalige landbouw, maar dat was voor de meesten niet voldoende om te overleven. De voortdurende armoede en de regelmatige hongersnoden zorgden ervoor dat talloze mensen moesten stelen om in leven te kunnen blijven. Toch waren er ook welgestelde boeren, vaak aangeduid als grootboeren, die grond pachtten van grote klooster- of kasteelhoeven. Bendes hielden strooptochten, waarvan vooral gehuchten, kerken en afgelegen boerderijen het slachtoffer werden.

Het feit dat er vaak kort na elkaar overvallen plaatsvonden op locaties die ver van elkaar verwijderd waren, versterkte het geloof in een bokkenrijdersbende die zich snel kon verplaatsen omdat zij zich vliegend op bokken voortbewogen. De criminelen maakten vaak hun gezicht zwart om herkenning te voorkomen. Hierdoor kregen zij een nog angstaanjagender voorkomen en het versterkte het geloof dat zij een pact met de duivel hadden gesloten. Deze duivelse associaties gaven hun een bijna bovenmenselijke status, wat de angst onder de lokale bevolking alleen maar vergrootte. Criminelen gebruikten dit geloof op hun beurt weer om nog meer angst te zaaien. Zo ontving een boer in Ulbeek in 1774 een brief waarin stond dat hij geld moest betalen, anders zou zijn boerderij in brand worden gestoken. De brandbrief, waarin ook meerdere keren de duivel werd aangehaald, was ondertekend door ‘de bockereyders’.

De processen tegen de bokkenrijders vonden voornamelijk plaats vanaf 1743, met als hoogtepunt het jaar 1773, en eindigden rond 1775 toen men meer kritisch werd op bekentenissen die onder marteling waren afgedwongen. Tijdens het proces moesten de verdachten de door hen afgelegde verklaringen bevestigen. Als zij hun verklaring introkken, werden zij echter terugverwezen naar de ondervragers, waardoor zij opnieuw gemarteld zouden worden. Tijdens de processen geloofden de meeste vervolgers de afgelegde verklaringen. Het waren immers de eigen woorden van de verdachten. Als een onder marteling afgelegde verklaring duidelijk onwaar was, dan kwam dit doordat de verdachten kwaadaardig waren en samenwerkten met de duivel, en daarom expres justitie voorlogen. En als ze niks zeiden, dan kwam dat doordat de duivel voor hen de pijn van de tortuur wegnam. De gerechtskosten moesten worden gedekt door de verkoop van de goederen van de veroordeelden, wat de rechters een goede reden gaf om iemand te veroordelen.

De bokkenrijdersprocessen waren een naspel in een reeks schijnprocessen in de Europese geschiedenis. Zo’n honderd jaar na de laatste heksenprocessen had Limburg de bedenkelijke eer de laatste Europese regio te zijn geweest waar dergelijke bijgelovige, juridische excessen zich massaal hebben afgespeeld.
Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
- Evangelische Omroep – Wat is Jom Kippoer? – Aliene Boele, 4 oktober 2022;
- Statenvertaling.net – Leviticus 16;
- Christipedia – Azazel, laatst bewerkt 5 november 2021;
- Herziene Statenvertaling – Mattheüs 25;
- National Geographic – Wie waren de bokkenrijders – Jurre van Breugel, 9 oktober 2025;
- Project Bokkenrijders – Procesvoering, 27 april 2025;
- Historiek.net – De bokkenrijders: gruwelijke misdaden en executies – Enne Koops, 6 januari 2025;
- Geschiedenis.nl – De bokkenrijders – Frank Heinen, 26 februari 2007;
©Bert van Zantwijk
Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.