Nederland is een land van tulpen, molens en houten klompen. Dit imago is in het buitenland onuitroeibaar. Het is een vriendelijk, maar ook een beetje oubollig imago, waar Nederlandse fabrikanten en de toeristenindustrie actief aan hebben meegewerkt. Maar hoe Nederlands zijn die tulpen, molens en klompen nou eigenlijk?

Tulpen komen oorspronkelijk uit het Tian Shan gebergte, een hooggebergte in het grensgebied van Kazachstan, Kirgizië en de Chinese autonome regio Sinkiang. Via handelaren kwam de tulp in de 16e eeuw vanuit Kazachstan in het huidige Turkije terecht. De Ottomaanse sultans waren dol op de tulp en versierden er hun paleizen mee. De tulp werd hierdoor symbool voor macht en rijkdom. Om dit te uiten droegen Ottomaanse sultans de tulp soms op hun tulband. De bloem werd hier ook naar vernoemd. Het woord ‘tulp’ stamt af van het Latijnse ‘Tulipa’, dat ‘bloem die lijkt op een tulband’ betekent.

In 1554 werd Ogier Gisleen van Boesbeke als gezant van Ferdinand van Oostenrijk naar het Ottomaanse Rijk gestuurd. Aan het hof van Suleyman l, de toenmalige sultan, maakte hij kennis met de tulp. De Westvlaamse diplomaat verbleef tot 1562 aan het Turkse Hof en bracht van daaruit een meer dan alledaagse verzameling zeldzame planten, waaronder de tulp, de iris en de vlierboom mee naar de Zuidelijke Nederlanden. Hij is het ook die de naam tulipaan aan deze vreemde bloem heeft gegeven.

Vanaf 1566 verbleef Van Boesbeke in Wenen, totdat hij in 1574 ambassadeur in Parijs zou worden. In Wenen ontmoette hij de Vlaamse geleerde Charles de L’Écluse, wetenschappelijke naam Carolus Clusius, die hier in 1573 werd aangesteld als hofarts en hofbotanicus bij keizer Maximiliaan ll. Clusius kreeg enkele tulpenbollen als geschenk van Van Boesbeke en ging ermee experimenteren. In 1594 zou Clusius worden aangesteld als hoogleraar aan de Universiteit van Leiden, waar hij tevens de hortus botanicus ging leiden. En zo kwam de tulp in Nederland terecht. Het klimaat in Nederland en België bleek perfect voor de tulp, die een koude winter en een lange lente met koude nachten nodig heeft om optimaal te kunnen groeien.

De tulp werd al snel immens populair bij voorname families. Het werd een luxeproduct en statussymbool en deed haar intrede in familiewapens. Dr. Nicolaus Petreius (Claes Pietersz.), een van de beroemdste artsen uit de 17e eeuw, koos in 1622, toen hij schepen werd van Amsterdam een tulp als wapen voor zijn schepenzegel. Hij gebruikte het motief ook op het uithangbord aan zijn huis op de Keizersgracht en veranderde zelfs zijn naam in Nicolaes Tulp. Hij  was een veelgevraagd geneesheer en om zijn vele patiënten te bezoeken was hij in het bezit van een koetsje met daarop een afbeelding van een tulp. Elke winter gaf Tulp in een speciale snijzaal in de Waag op de Nieuwmarkt namens het chirurgijnsgilde lessen in anatomie en ontleding van het menselijk lichaam. Zo werd hij 1632 ook door Rembrandt afgebeeld op diens bekende schilderij ‘De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp‘.

Ten zuiden van Haarlem, langs de Wagenweg en de Kleine Houtweg, en rond Alkmaar en Hoorn vestigden zich de eerste professionele bollenkwekers. Tot circa 1634 hielden alleen professionele kwekers en rijke hobbyisten zich bezig met de tulpenhandel. De rijke stedelingen kochten de bollen om de tuinen van hun grachtenhuizen en buitens te verfraaien. Het kweken en bemachtigen van nieuwe, bijzondere variëteiten werd onder de ‘happy few’ binnen de kortste keren een rage. Als gevolg hiervan stegen de prijzen van deze tulpen naar een ongekende hoogte. Wie er in slaagde een bijzondere variëteit op te kweken, kon naast flinke winsten rekenen op status en aanzien. Ook de gewone tulpen werden meegezogen in de rage en stegen tussen 1634 en 1636 aanzienlijk in waarde. Door het snelle stijgen van de prijzen gingen steeds meer buitenstaanders zich met de tulpenhandel bemoeien. Ook kleine burgers en ambachtslui werden verlokt om veel geld in deze handel te steken.

Er werden verkoopdagen georganiseerd in cafés, waar iedereen kon meebieden. Als opgeld werd 2,5% drinkgeld in rekening gebracht, met een maximum van 3 gulden per verkoop. Hierdoor kon ook de gewone man zich mengen in de tulpenrage. Voor een goedkope variëteit werd in oktober 1636 nog 20 gulden betaald, begin 1637, op het hoogtepunt van de tulpenhandel, liepen de prijzen op tot 200 gulden per bol, vergelijkbaar met een gemiddeld jaarloon van een werkman. Ambachtslieden beleenden hun instrumenten of gingen schulden aan om ook een graantje mee te pikken van de exploderende prijzen. Voor bijzondere exemplaren werden op het hoogtepunt van de handel prijzen gevraagd van 2.000 tot 5.000 gulden per stuk, al zijn er geen bewijzen dat er ook daadwerkelijk bollen of tulpen voor die prijs zijn verkocht.

De groeiende handel in tulpen en tulpenbollen ontaardde in een buitensporige windhandel. De bollen zaten nog maar net in de grond of de tulpen werden op papier verkocht aan mensen die speculeerden op een aanzienlijke prijsstijging tijdens de groeitijd. Soms werden daarbij complete huizen en inboedels als onderpand ingezet. Er waren ook speculanten die voor een snelle winst gingen en hun termijncontract na een kleine stijging direct weer doorverkochten. Soms wisselde een termijncontract op één dag vijf keer van eigenaar. Het was duidelijk dat zo’n kunstmatige euforie niet kon blijven duren. Niemand weet precies hoe het mogelijk was, maar op 3 februari 1637 stortte de tulpenhandel in Haarlem plotseling als een kaartenhuis in elkaar en in de daaropvolgende week volgden ook de overige steden. Op slag werden fortuinen verloren en kwam de ontnuchtering.

Er ontstond chaos rondom de lopende contracten. Veel kopers konden de dure tulpen niet betalen als zij deze niet meer konden doorverkopen en weigerden hun contract na te komen. Honderden burgers en kleine beleggers dreigden hun huis te moeten verkopen en aan de bedelstaf te geraken. Ze probeerden nu tevergeefs bij de verkopers verhaal te halen. Eind februari kwamen vertegenwoordigers van de kwekers voor overleg bijeen in Amsterdam. Ze kwamen tot een compromis waarbij alle contracten die vóór december 1636 waren gesloten bindend zouden zijn, maar latere contracten konden worden geannuleerd door betaling van een vergoeding van 10% van de prijs.

De zaak werd voorgelegd aan het Hof van Holland, dat weigerde een uitspraak te doen en de kwestie terugverwees naar de gemeenteraden. De kwestie sleepte zich daarna voort, omdat de steden het aan de partijen overlieten om hun geschillen via arbitrage of andere middelen op te lossen. In mei verbood de stad Haarlem echter rechters, advocaten en deurwaarders om nog langer tulpenzaken in behandeling te nemen en oordeelde het dat kopers alle bestaande contracten konden annuleren tegen betaling van 3,5% van de prijs. In andere steden zouden er rechtszaken gevoerd blijven worden tot 1639, maar uiteindelijk zouden de meeste termijncontracten nooit worden nagekomen.

Hollandse predikanten hadden al sinds 1620 in lange gedichten de overdreven liefde voor de tulpen gehekeld en een vermanende vinger gericht tegen mensen die hun godsdienst verwaarloosden met deze verderfelijke manie voor één enkele bloemensoort. Nu de bubbel was gebarsten werd in pamfletten en spotprenten de draak gestoken met de dwazen die zich hadden laten meeslepen. In hun hebzucht en hoogmoed hadden zij zich laten verleiden tot handel in wind. De Antwerpse kunstenaar Jan Bruegel de Jonge maakte een schilderij over de tulpenkoorts, waarin maar drie echte mensen te zien zijn. Zij houden zich afzijdig van de tulpenhandel.

De handel in tulpenbollen geeft hij in handen van apen, die symbool staan voor gulzigheid en domheid. Op een balkon zitten apen die fortuin hebben gemaakt met de tulpenhandel. Op de voorgrond weegt een aap een tulpenbol af tegen een klomp goud. Rechts wordt een aap, die zijn hele kapitaal heeft verspeeld, voor de rechter gevoerd. Een andere aap urineert over een paar tulpen. Op de achtergrond gaat een groep speculanten met elkaar op de vuist, en enkele vermomde apen verhandelen tulpen die vermoedelijk van diefstal afkomstig zijn. Op het schilderij staat ook een uil afgebeeld. Uilen zijn boodschappers uit het geestenrijk, die wijsheid, waarheid en begrip brengen. Een uil kan verschijnen als het nodig is om naar je intuïtie te luisteren. Als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het dat meestal ook.

De tulpenmanie is vaak beschreven als de eerste grote speculatiecrisis in de Nederlandse beleggingsgeschiedenis. Voor de meeste speculanten vielen de gevolgen echter mee, omdat hun transacties uiteindelijk werden geannuleerd. De Hollandse bloembollenteelt kwam pas in de periode erna echt tot ontwikkeling. De tulp bleef een gewilde bloem, maar de bollen werden voortaan verhandeld tegen reële prijzen. Haarlem en de omringende dorpen groeiden uit tot het bollenteeltgebied bij uitstek. Tot in de negentiende eeuw de telers hun bedrijven naar het zuiden uitbreidden en Hillegom en Lisse de eerste plaats overnamen.

En dat brengt ons terug bij de vraag uit het begin van dit artikel: hoe Nederlands zijn tulpen nou eigenlijk? Tulpen komen oorspronkelijk uit Azië en zelfs het bekende lied ‘Tulpen uit Amsterdam‘, in 1957 bekend geworden door Herman Emmink, is een vertaling van een Duits lied. Maar Nederland is, vanwege het perfecte klimaat om tulpen te telen, wel uitgegroeid tot de grootste exporteur van tulpen ter wereld. Jaarlijks worden 2,5 miljard tulpenbollen en 1,7 miljard snijtulpen geëxporteerd. Nederland is beroemd om zijn gecultiveerde tulpen, die zijn onderverdeeld in 15 verschillende groepen en uit maar liefst 8.000 verschillende soorten bestaan. De tulpenvelden zijn een gigantische trekpleister geworden. Nederland trekt meer dan 20 miljoen buitenlandse toeristen per jaar, en voor veel van hen zijn de tulpen een belangrijke reden om hun vakantie in het voorjaar te plannen. 

Ook molens zijn niet in Nederland ontstaan. Zo’n 10.000 jaar geleden begonnen granen een steeds groter deel uit te maken van het voedselpakket van de mens en ging men op zoek naar mogelijkheden om de korrels te breken en te malen. Het graan werd op een platte, liefst enigszins holle steen gelegd. Vervolgens werd een ronde steen handmatig over het graan gerold of gewreven en werd het meel opgevangen op een huid. Dit was erg arbeidsintensief. Het malen van graan voor de maaltijd van een gemiddeld gezin nam meerdere uren in beslag. Om het graan sneller te kunnen malen werden de platte steen, de ligger, en de maalsteen, de roller, groter gemaakt. Hierdoor was het noodzakelijk om handvatten aan de roller te maken om de steen als maalsteen te kunnen gebruiken. Dit principe is later ook toegepast bij het ontwikkelen van de koffiemolen. Zo ontstond de handmolen, de oervorm van een molen.

Voor industrieel gebruik moesten de ligger en roller aanzienlijk vergroot worden. Hierdoor ontstonden de tredmolen en de rosmolen, waarbij de maalsteen in beweging werd gebracht door mankracht of door paarden of ezels. De uitvinding van het waterrad was daarom een mijlpaal in de technische ontwikkeling van de molen, aangezien door het benutten van de kracht van stromend of vallend water zeer veel meer mechanische energie beschikbaar gemaakt kon worden. Men gaat ervan uit dat waterschoepraderen voor het eerst rond 1200 voor Christus in Mesopotamië in gebruik werden genomen. Van daaruit verspreidde het gebruik zich naar landen als Egypte, Syrië, India en China. Ook de Grieken en Romeinen kenden in de 2e eeuw voor Christus al het gebruik van watermolens. De watermolens werden gebouwd op plekken waar (snel)stromend water voorhanden is. In Nederland was dat vooral in het oosten en zuiden van het land.

De volgende, nog grotere, mijlpaal was de uitvinding van de windmolen. Wind is immers overal aanwezig. Om voldoende wind te kunnen vangen, werden de molens hoger. Molenaars verkregen het windrecht, wat betekende dat de omliggende bebouwing zo laag moest blijven dat wind de molen onbelemmerd van alle kanten kon bereiken. De geschiedenis van de windmolen kan in Perzië tot in de 7e eeuw teruggevolgd worden, maar mogelijk is de windmolen nog veel ouder. In de in Luoyang (provincie Liaoning) geopende Han-begraafplaatsen heeft men muurschilderingen gevonden, die het gebruik van windmolens in China sinds de oosterse Han-dynastie (25-220 na Christus) suggereren. De eerste vermelding van een windmolen in de Chinese literatuur dateert echter pas uit 1219.

In Europa verschenen de eerste windmolens in de 11e eeuw in Noordwest-Frankrijk en België. Feitelijk waren dit watermolens waarbij het rad vervangen was door wieken. De oudst bekende windmolen, een standerdmolen, is in 1001 vermeld bij een klooster in Rekspoede in Frans-Vlaanderen. Op basis van een archeologische vondst werd vastgesteld dat in dezelfde periode ook in Sint-Denijs-Westrem, nabij Gent, een windmolen heeft gestaan. Daarna volgden meerdere molens in Henegouwen en Oost-Vlaanderen. Via Normandië en Zuidoost-Engeland  verspreidde de techniek zich naar de rest van Europa. De oudste vermelding van een windmolen in Nederland dateert uit 1221 en is afkomstig uit het in de 16e eeuw verdronken dorp Willemskerke in Zeeuws-Vlaanderen, dat was gelegen tussen Hoek en Terneuzen.

In de loop van de 14e eeuw nam het aantal windmolens in Nederland snel toe. Het waren over het algemeen houten korenmolens waarin graan tot meel werd gemalen. Vanaf het begin van de 15e eeuw werden windmolens ook gebruikt om polders leeg te malen en aan het eind van de 16e eeuw volgden de oliemolens, papiermolens en houtzaagmolens. De uitvinding van de houtzaagmolen droeg aanzienlijk bij aan de technische vooruitgang in de Gouden Eeuw. Het zorgde ervoor dat er veel sneller gezaagd kon worden, waardoor de scheepsbouw werd versneld. Door de opkomst van modernere technieken zoals stoommachines en later elektrische zagerijen, die veel efficiënter en krachtiger waren, zijn de meeste houtzaagmolens omgebouwd of afgebroken.

Er zijn nog maar een handvol actieve houtzaagmolens over in Nederland, waarvan “De Otter” aan de Kostverlorenvaart in Amsterdam het bekendst is. Molen De Otter maakte deel uit van een serie van dertien houtzaagmolens, die vanaf 1630 in opdracht van de Amsterdamse Houtzaagmolencompagnie werden gebouwd. Na de sloop van de nabijgelegen molen Het Luipaard in 1931 bleef de Otter als enige van de tientallen molens die hier ooit stonden en ook als laatste van de vele tientallen houtzaagmolens die Amsterdam ooit telde, eenzaam achter. “Molenerf De Ster” in Utrecht is het enige compleet bewaard gebleven houtzaagmolenerf van Nederland. Het bestaat uit de windmolen met zagerij, een sleephelling, de molenaarswoning, twee knechtswoningen en drie houtdroogloodsen. 

De windmolens die men nu nog in Nederland vindt, zijn vooral korenmolens en poldermolens. Korenmolens stonden verspreid door het hele land, in bijna elk dorp, om de lokale gemeenschap te voorzien van meel voor dagelijks brood. In steden werden zij vaak op de stadswallen geplaatst omdat de verhoogde positie daar een optimale windvang garandeerde. Bovendien werden de molens door de stadsmuren beschermd en hierdoor was de graanvoorziening van de burgers ook in tijden van nood gegarandeerd. Poldermolens waren tot de komst van de stoomgemalen vanaf de 19e eeuw en de elektrische gemalen in de 20e eeuw het belangrijkste hulpmiddel om polders droog te malen. Ook de poldermolen is geen Nederlandse uitvinding. De eerste vermelding van een windgedreven poldermolen is die van de “hoesse molen” (hoosmolen) die in 1316 in Gent (Vlaanderen) een natuurgebied bemaalde. De eerste Nederlandse poldermolen werd in 1408 in Alkmaar in gebruik genomen.

Nederland heeft de poldermolen wel geperfectioneerd en op grote schaal toegepast voor de drooglegging van polders. Nederland dankt haar status als molenland vooral aan de molengangen. Een deel van Nederland ligt onder het zeeniveau, zoals grote delen van Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en delen van Utrecht en Flevoland. Door de maximale opvoerhoogte van ongeveer 1,75 meter per molenrad, was het bij diepere polders noodzakelijk dat het water in ‘trappen’ omhoog werd gebracht. Er werd daarom gebruik gemaakt van een aantal samenwerkende poldermolens voor het droogmaken en -houden van een polder. Deze molenrijen zijn een toeristische trekpleister. De bekendste molengang bevindt zich bij het dorpje Kinderdijk in de Alblasserwaard.

Voor veel buitenlandse toeristen zijn houten klompen het ultieme symbool van de Nederlandse cultuur. Er zijn zelfs nog steeds mensen in het buitenland die denken dat alle Nederlanders op klompen lopen. Houten klompen werden en worden echter in heel Europa gedragen, vooral in de landen langs de Noordzeekust. Er zijn naar schatting 200.000 mensen in Nederland die nog steeds klompen dragen. Dat is iets meer dan 1 procent van de Nederlandse bevolking. In landen als België en Frankrijk draagt men minstens zoveel klompen als in Nederland. Er zijn sterke aanwijzingen dat de wortels van de houten klomp in Noord-Frankrijk liggen, waar ze al veel eerder bestonden dan in Nederland. Dat weerhoudt Franse toeristen er overigens niet van om in Nederland met klompen op de foto te gaan.

Klompen werden wel al heel lang geleden gedragen in Nederland. Klompen worden gemaakt van elzenhout, wilgenhout of populierenhout. Deze bomen groeien snel waardoor het hout van de bomen zacht en licht is. Het zachte hout maakt het hout makkelijk te bewerken, terwijl het lichte gewicht de klompen comfortabel maakt om te dragen. Het hout ademt, waardoor voeten in de zomer koel blijven en niet snel zullen zweten. In de winter werkt het hout juist isolerend, waardoor voeten warm blijven. De oudste, goed bewaarde, bodemvondsten van volledig houten klompen zijn in Nederland gedaan. In Oldenzaal, Amsterdam en Rotterdam zijn klompen in de bodem gevonden uit de 13e eeuw. Dergelijke oude bodemvondsten zijn opmerkelijk omdat zachte houtsoorten in de bodem doorgaans snel vergaan. Bovendien was het vroeger gebruikelijk om afgedragen klompen als stookhout te gebruiken.

We hebben in dit artikel vastgesteld dat tulpen, molens en houten klompen oorspronkelijk niet uit Nederland komen. Toch is het niet onlogisch dat de Nederlandse cultuur ermee wordt geassocieerd. Nederland is de grootste exporteur van tulpen in de wereld en de tulpenvelden zijn een enorme trekpleister voor toeristen, vooral uit Azië. De molengangen zijn uniek in de wereld en ook de drooglegging van de polders spreekt wereldwijd tot de verbeelding. De oudste bodemvondsten van klompen zijn in Nederland gedaan en dorpen als Volendam, Giethoorn en Zaanse Schans, waar klompen een toeristische functie hebben, zijn zeer geliefd bij buitenlandse toeristen. Er zijn te veel iconische elementen, tradities en specifieke lekkernijen die tot de Nederlandse cultuur worden gerekend om in één artikel te behandelen. Er zullen daarom nog meerdere vervolgartikelen komen over ‘Typisch Nederlands‘.


Voor het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

  • Biekorf, jaargang 95 nummer 4 – Tulpomanie in Ieper? – L. van Acker, 1995;
  • Oneindig Noord-Holland (ONH.nl) – De tulp: bewogen verleden van een bijzondere bloem – Liza Koppenrade, 19 april 2016;
  • Canon van Nederland – Tulpenmania;
  • Historiek.net – Tulpenmanie 1637 – Jan J.B. Kuipers;
  • Wikipedia Engels – Tulip Mania;
  • Tulp prijsindex van 1636-1637, samengesteld door Earl A. Thompson;
  • Leumolen.nl – handmolen – Lida Goede;
  • De Nederlandse Molen – J.Th. Balk, 1990;
  • Wikipedia Nederland – diverse artikelen: WindmolenPoldermolenZaagmolenMolengang;
  • Is Geschiedenis – Geschiedenis van de klompen;
  • Klompenmuseum Eelde – Lesbrief Klomp.

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.